Preek chrismamis 2016

Preek van bisschop Frans Wiertz bij gelegenheid van de jaarlijkse chrismamis op woensdag 23 maart 2016 in de Sint-Christoffelkathedraal, Roermond

1e Lezing:            Jesaia: 61, 1-3a. 6a. 8b-9
2e Lezing:            Apok 1,5-8
Evangelie:            Lucas 4,16-21

Wie de toekomst wil voorspellen, begeeft zich op glad ijs. Misschien dat weersvoorspellingen door moderne computerprogramma’s aan betrouwbaarheid hebben gewonnen. Maar op veel andere terreinen is de voorspelbaarheid van de toekomst eerder af- dan toegenomen.

Niemand durft te voorspellen hoe de regering er over een paar jaar uit zal zien. Niemand weet of de economie zich zal herstellen en of onze sociale zekerheid stand zal houden. Wat ooit werd voorspeld als een lente voor de Arabische wereld, is uitgemond in een eindeloze vluchtelingenstroom. Niemand weet wanneer deze stopt.

Toekomst voorspellen, is dus riskant. Het kan tot euforische verwachtingen leiden, of tot de zwartste doemscenario’s. Zo is het ook riskant om de toekomst van de Kerk in onze streken te voorspellen. Doemscenario’s zijn er genoeg. Kille cijfers onderbouwen die bovendien. Niemand kan het ontkennen. Rechtlijnig doordenkend, lijkt de slotconclusie voor de hand te liggen. Maar wie iets verder teruggaat in de tijd, ontdekt dat de geschiedenis van de kerk nooit voorspelbaar is verlopen.

De diepste crises leidden steeds tot verdieping van het geloof, waarop weer een bloeiend kerkelijk leven volgde. De Kerk is immers altijd de Kerk van Jezus Christus. Natuurlijk staat de Kerk midden in de samenleving. De maatschappelijke ontwikkelingen van de jaren ’60 en ’70 zijn ook aan ons niet voorbij gegaan. De massale volkskerk hield op te bestaan. Daarmee kwam er een einde aan de vanzelfsprekendheid van de Kerk in onze streken en aan haar macht. Menigeen zou daarom onze huidige situatie als een crisis willen omschrijven. Maar ik spreek liever van een loutering als opstap naar een nieuw begin.

De tijd van grote bloei leek een hoogtepunt in de kerkgeschiedenis. Maar droeg ook de bekoring in zich van triomfalisme en zelfgenoegzaamheid. Regelmatig worden we nu met de wrange vruchten van deze eigengereide kerk geconfronteerd. Zo’n confrontatie met haar geschiedenis maakt de Kerk op dit moment misschien onzeker, maar we kunnen er ook van leren. Deze loutering leidt tot hoop.

Helaas gaat het meestal, wanneer er wordt nagedacht over de toekomst van de Kerk, over herschikking van geldstromen; over het beheer van gebouwen of het afstoten ervan; en over de inzet van mensen. Het is inderdaad een bekoring om de Kerk met een bedrijf te vergelijken. Maar zelfs als er parallellen te vinden zijn – en die zijn er natuurlijk – moeten wij ons steeds blijven afvragen: “Waartoe zijn wij als Kerk op aarde?” Op de eerste plaats om Kerk van Jezus Christus te zijn.

Jezus wilde dat er een gemeenschap van gelovigen kwam, vanaf het moment dat Hij zijn leerlingen riep. Hij liet hen delen in zijn zending door hen ook uit te sturen om de Blijde Boodschap te verkondigen en tekenen van het komende Godsrijk te verrichten. Maar net zo belangrijk voor de Kerk zijn de gebeurtenissen in het leven van Jezus op Witte Donderdag en Goede Vrijdag: dagen van ontreddering en grote twijfel. Voor de apostelen was het een loutering, een zuivering van heersen naar dienen.

We hebben inderdaad soms het gevoel een kerk-onder-het kruis te zijn. Maar geen Pasen zonder Goede Vrijdag. Door het wonder van de opstanding op Paaszondag en door de nederdaling van de Heilige Geest op Pinksteren, komt de Kerk in haar volheid tot stand en treedt ze naar buiten, naar alle volkeren op aarde. Vanaf Pinksteren is er een missionaire Kerk. De Handelingen van de Apostelen vertellen ons hoe zij na Pinksteren vorm gaven aan de kerk.

Ze legden zich toe op het geloof in Jezus. Ze braken het Brood in een of ander huis en waren trouw aan het gemeenschappelijk leven. Dat zijn de kerntaken van de Kerk. Vanuit Jeruzalem trokken de apostelen erop uit om met groot enthousiasme te getuigen van alles wat Jezus gedaan en geleerd had. We zien Petrus op weg gaan. We leren Paulus kennen en we worden deelgenoot van de avonturen en gevaren die hij doorstaat op zijn missiereizen.

Maar voor Paulus is duidelijk: “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig. Ik kan niet anders.” Hij is vervuld van een heilig vuur. Het begin van de Kerk verliep allerminst over een geplaveid pad. Niet overal waren de apostelen welkom. Maar het heilige vuur bleef. De vroege kerk bleef missionair.

In de voetsporen van de apostelen treden daarna nieuwe generaties missionarissen. Ze gaan in onbekende gebieden het christelijke geloof verkondigen. Ook hen vervult eenzelfde heilige vuur: “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig. Ik kan niet anders.” Sint Servaas verliet zijn vaderland Armenië om naar onze streken te komen. Willibrord en Bonifatius droegen in de noordelijke Nederlanden het geloof verder, dat hen door missionarissen in de Angelsaksische landen was verkondigd. Zij hebben hier de kerk geplant en tot rijke bloei gebracht. Ook onze reformatorische broeders en zusters danken hen als de brengers van het christelijke geloof in onze streken.

Maar wie de geschiedenis van de Kerk, zowel in Nederland als in de rest van de wereld volgt, stelt vast dat periodes van bloei worden afgewisseld door tijdvakken van verval. Maar telkens is de neergang een loutering. Daarna staan er mensen op met het heilig vuur van de apostel Paulus: “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig. Ik kan niet anders.”

In die loutering mogen wij ons als mensen van de Kerk de vraag stellen: “Waartoe zijn wij als Kerk op aarde?” We mogen ons bewust worden dat wij de Kerk van Jezus Christus zijn. Wij moeten missionair zijn. Wij allen. In de Kerk mogen niet dezelfde criteria voor succes gelden als elders in de samenleving of in het bedrijfsleven.

Het doel van een missionaire kerk kan niet zijn om over mensen te heersen. Onze taak mag niet anders zijn dan om in Jezus’ naam de wereld te dienen. Want Jezus is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven voor ons allen. Vandaar dat de Kerk ook nu moet dienen, “want anders dient ze tot niets,” zoals een Franse bisschop het ooit formuleerde.

Maar de wereld dienen, is niet hetzelfde als doen wat de wereld graag hoort. De wereld dienen, is getuigen van het leven en levenslot van Jezus met Zijn evangelie. De wereld dienen, is door een evangelisch getuigenis een tegengeluid laten horen. Want in deze wereld worden mensen ondergeschikt gemaakt aan marktwerking. De economie is tot een nieuwe religie ontwikkeld, tot een afgoderij, waaraan we onze offers brengen. De wereld dienen, is vanuit verbondenheid met Jezus oprecht dienstbaar zijn en daadwerkelijke zorg verlenen aan die mensen die geen economische waarde hebben, of die denken dat hun leven geen waarde meer heeft en daarom beëindigd mag worden. Terwijl alle mensen kinderen van God zijn en geschapen zijn naar Zijn evenbeeld en daarmee een ongekende waarde vertegenwoordigen. De wereld dienen, is vergeten mensen opvang geven en de liefde schenken, die geen mens missen kan.

Het bestaansrecht van de Kerk staat en valt met de vraag, of wij op een missionaire wijze Kerk van Jezus willen zijn. Het Tweede Vaticaans Concilie noemt e Kerk: ‘teken en instrument van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijke geslacht’. Daarom wordt de Kerk zelf ook ‘sacrament’ genoemd.

De Kerk zet niet alleen het heilswerk van Jezus voort, maar is zelfs een afgeleide van Jezus, het sacrament van de Godsontmoeting. In Jezus is zichtbaar geworden hoe God tot het uiterste gaat, om zich met alle aspecten van ons leven te verbinden. In hem deelt God in onze eindigheid en kwetsbaarheid, in onze wanhoop en pijn, in ons lijden en in onze dood.

Zo is Jezus het Beeld van de onzichtbare God en zo mag de Kerk Hem verkondigen. Als afgeleide van Jezus biedt de Kerk ons aan wat eens Jezus geleerd en gedaan heeft. Daarom moet het evangelie verkondigd worden vanuit het diepst van ons hart. “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig”. Daarom moeten de sacramenten gevierd worden met groot verlangen, want daarin krijgen we deel aan Jezus’ leven zelf. Maar bovenal is er behoefte aan mensen, die Jezus in hun hart gesloten hebben en die met een niet aflatende missionaire ijver van Hem getuigen. Dat geldt zowel voor leken als priesters, diakens en bisschoppen.

Er is behoefte aan mensen die ook persoonlijk een afgeleide van Jezus willen zijn en als Paulus zeggen: “Ik leef niet meer. Christus leeft in mij.” Daarom moet er caritas zijn en diaconie: hulp geven in concrete noden, zoals ook Jezus deed voor de armen en allen die niet meetelden.

Onze pastoraal kan er niet in bestaan voor een steeds kleinere groep onze sacramenten te blijven aanbieden. En dat alléén te doen. Een gelouterde kerk is een dienstbare Kerk, die getuigt, overal waar ze daartoe de kans krijgt. Het gaat niet om ons, maar om Christus. “Wee mij daarom, als ik het evangelie niet verkondig.”

Vanavond, hier samen, mogen wij ons bewust zijn, dat wij de Kerk van Jezus Christus zijn. We behoren tot het Volk van God, dat geroepen is het Hogepriesterschap van Jezus voort te zetten, want we zijn Gods priesterlijk Volk. “Gij zult heten: priesters des Heren. Men zal u noemen: Dienaars van onze God,” zo lazen we in de eerste lezing. Dat zijn we door ons doopsel en de zalving bij ons vormsel. Wij zijn geroepen tot getuigenis. Iedereen. De crisis heeft ons gelouterd.

Machtsdenken mag ons niet meer overheersen. Maar we willen deze wereld dienen, zoals Jezus deze wereld heeft willen dienen en voor haar Zijn leven heeft gegeven. De Kerk van Jezus zal blijven bestaan, zolang er mensen leven op  aarde. Want Jezus heeft zich door de Heilige Geest met haar verbonden: “Ik ben met u, alle dagen.” En nu: “Ga.” “Ga op weg.”

Bedrijfsplannen kunnen nuttig zijn. Wellicht ook voor onze Kerk. Herstructurering kan noodzakelijk zijn. Wezenlijker is dat een heilige onrust ons vervult en dat Gods Geest de kans krijgt in ons te leven. Dan zal Hij ons aanzetten tot een waarachtig christelijk getuigenis en bouwt Hij met ons aan een gelouterde Kerk van de toekomst. Het is de Heer die het huis bouwt. Daarom bouwen de werkers niet vergeefs.

Amen.

     
     
     
     
     
Susteren-Echt