Kerk en Wmo

Er zijn veel vragen over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) in het algemeen en de toekomst ervan in het bijzonder, maar ook over de rol van Kerken met betrekking tot de Wmo. Dat bleek onlangs tijdens een landelijke studiedag over dit onderwerp. De landelijke burgerlijke overheid heeft Kerken en met name de kerkelijke vrijwilligers in het gehele gedachtegoed van de Wmo een belangrijke rol toebedeeld. Daarbij wordt duidelijker en opener gekeken naar de rol van de vele diaconale groepen binnen parochies. Ondanks dat de kerkelijke betrokkenheid nog steeds verder afneemt. Waar het in de komende jaren naar toe gaat is op dit moment nog niet goed te zeggen. De regelingen zijn nog niet duidelijk. Ook parochies en diaconale organisaties zullen landelijk en lokaal de ontwikkelingen goed moeten volgen.


Zoals het in de Troonrede van dit jaar werd gezegd, verandert de samenleving van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. Hoe die samenleving er ook uit gaat zien, duidelijk is dat er een groter beroep gedaan wordt op zelfredzaamheid en op netwerken van mantelzorgers en vrijwilligers. Professionele hulpverlening zal pas in beeld komen als vervolg, als aanvulling op die vrijwillige hulp. Er komt een andere verantwoordelijkheid te liggen bij de overheid, bij maatschappelijk middenveld, bij kerken en bij individuen en individuele huishoudens, met name ingegeven vanuit bezuinigingen die door de overheid ingezet zijn.

Momenteel worden in de meeste lokale Wmo-raden al gekeken naar die nieuwe ontwikkelingen. Angstvallig wordt gekeken naar de notities die vanuit de ministeries naar buiten komen. Parochies en diaconale groepen worden opgeroepen om alert te zijn, de ontwikkelingen goed te volgen en met name ook binnen Wmo-raden mee te praten en te denken over de mogelijke gevolgen van deze aanstaande ontwikkelingen. Belangrijk daarbij is dat ervaringen uitgewisseld worden.

Kerken en met name diaconale organisaties hebben nog steeds een belangrijke rol in de samenleving en hebben nog heel wat mogelijkheden, maar moeten ook de onmogelijkheden beseffen. Tijdens genoemde studiedag reikte Prof. H. Noordegraaf enkele vuistregels aan. Zo zei hij: ‘Als je je mogelijkheden onderschat, laat je kansen liggen, als je je mogelijkheden overschat, raak je alleen maar gefrustreerd.’ We moeten ons ervan bewust zijn dat het werk van kerken op het terrein van welzijn en zorg een bescheiden onderdeel vormt. Maar dat wil niet zeggen: betekenisloos. Dat geldt in tweeërlei zin: Als eerste kwalitatief. Vele kerkelijke activiteiten hebben een eigen kwaliteit doordat zij dicht bij mensen en met mensen plaatsvinden en niet direct een bepaald resultaat hoeven te hebben (bereiken van ‘targets’). De nadruk ligt op het opbouwen en onderhouden van relaties, het echt luisteren naar mensen, aandacht voor de vragen van zin- en on-zin van het bestaan, zoals die tot uitdrukking komen in de levensverhalen van mensen, het hebben van tijd voor mensen en het optrekken met hen. In dat alles worden mensen in hun waardigheid erkend. Mensen worden daardoor uiteindelijk meer geholpen dan allerlei op korte termijn gerichte hulpverleningsactiviteiten. En ten tweede kwantitatief. Op veel plekken zijn parochies, hoe bescheiden soms ook, actief. Bij elkaar opgeteld vormen deze kleinschalige activiteiten een groter geheel dan we ons vaak realiseren.'

Zijn tweede vuistregel was: wees bewust van ‘hulpbronnen’ en hoe die in te zetten in de lokale samenleving. Kerken beschikken over menskracht, gebouwen, geld, kennis, inspiratie. Bij de menskracht is het van belang om als kerkelijke vrijwilliger niet alles zelf te willen doen, maar deskundigheid en inzet van vrijwilligers te benutten. Wees je echter ook bewust van je belemmeringen. Vaak ben je als vrijwilliger niet adequaat genoeg op de hoogte van alle beleidsprocessen. Dat hoeft niet erg te zijn, maar werk dan samen met andere organisaties die deze deskundigheid wel in huis hebben. Samen sta je immers ook sterker en samen kun je ervaringen en kennis delen!' Vanuit de bisdommelijke Dienst Kerk en Samenleving wordt deze samenwerking ook uitdrukkelijk ondersteund en aangemoedigd.

De derde vuistregel die Noordegraaf aanreikte was dat het, juist vanwege het vele dat op lokale Kerken afkomt, belangrijk is om kritisch te blijven en zich steeds af te vragen wat je doet en waarom. 'Parochies zullen in de nabije toekomt steeds vaker prioriteiten moeten stellen. In het stellen van die prioriteiten moeten zij wel uitdrukkelijk zicht blijven houden op hun diaconale opdracht in de samenleving. Paus Franciscus pleit niet voor niets voor een kerk die naar buiten treedt. Maar dan nog, is het belangrijk om als diaconale werkgroep in een parochie goed zicht te hebben op de urgente noden in de parochie en hoe de inzet daarvoor zich verhoudt tot bestaande activiteiten. Als parochie is het belangrijk om zo bijvoorbeeld ook te kijken naar de groeiende groep van mantelzorgers. Immers een mantelzorger die iemand verzorgt die dementerend is, heeft het zeer zwaar! Ondersteuning van zo’n mantelzorger verdient een hogere prioriteit dan bijvoorbeeld het bezoeken van een vitale oudere.'

Parochies en samenwerkingsclusters zullen in de komende jaren in het verwoorden van hun pastorale beleid ook toe moeten werken naar een heldere diaconale infrastructuur. Zo zullen zij, ook met het oog op de steeds verdere terugloop van kerkbetrokkenheid, goed moeten kijken hoe zij met de diaconale vragen en de inzet van vrijwilligers omgaan. Zij zullen prioriteiten moeten stellen. Maar daarbij zullen zij moeten beseffen dat de lokale overheid steeds vaker ook richting de diaconale en kerkelijke vrijwilligers zal kijken om de noden in de samenleving op te lossen. Daarom is het ook belangrijk dat parochies en diaconale groepen in nauwe samenwerking met de lokale maatschappelijke organisaties antwoorden formuleren op vragen die vanuit de overheid op mensen afkomen. In steeds meer plaatsen ontstaan Diaconale Platforms, overlegorganen waarin diaconale organisaties van Kerken en maatschappelijke organisaties samenwerken. In de Westelijke Mijnstreek heeft dit bijvoorbeeld geresulteerd in een nauwe samenwerking in Streekzorg Westelijke Mijnstreek, een overleg waarin negen maatschappelijke en kerkelijke organisaties participeren. Gezamenlijk werken deze aan het leefbaar houden van de samenleving, hebben ze voldoende vrijwilligers om de vragen die op hen afkomen op te lossen en hebben ze veel deskundigheid in huis. Een nieuwe toekomst, die mede ingezet is door alle ontwikkelingen en veranderingen op het terrein van zorg en welzijn in onze samenleving.

Meer weten over dit alles? Neem contact op met Hub Vossen van de bisdommelijke Dienst Kerk en Samenleving via hub.vossen@hetnet.nl

     
     
     
     
     
Susteren-Echt