Preek boeteviering seksueel misbruik

Preek van bisschop Frans Wiertz tijdens de boeteviering in de Onze Lieve Vrouwebasiliek te Maastricht op maandag 14 april 2014 bij gelegenheid van de onthulling van een kunstwerk voor de slachtoffers van het seksueel misbruik in de katholieke kerk.

Lezing: 2. Sam 12

Het is Goede Week. Voor christenen is dit een week, waarin zij niet alleen Jezus volgen op zijn lijdensweg, maar in dit licht vooral zichzelf onder de loep nemen en zichzelf kritisch bevragen over het waaróm van deze kruisdood. De eerste geloofsbelijdenissen zoals we die aantreffen in de Handelingen van de Apostelen en ook in de eerste brief aan de Korintiërs geven het waarom van de kruisdood heel duidelijk aan: “Gestorven voor onze zonden.” Om onze zonden uit te boeten, is de Heer aan het kruis gestorven. Dat doet ons stil worden en we horen deze woorden liever niet. We worden er niet graag op gewezen dat wij mensen zijn die niet brandschoon zijn en dus schuldig zijn.

We vinden het misschien wat merkwaardig, dat de nieuwe paus, toen hem de gevraagd werd: “Wie ben jij Jorge Bergoglio? Wat zeg je over jezelf?” als antwoord gaf: “Ik ben een gewoon zondig mens.” Dat wil zeggen dat de paus zich niet zelfvoldaan als een volmaakt iemand wil profileren, maar als een mens, in wiens eigen leven schuld en zonde ook een realiteit zijn. We worstelen met dit gegeven. Het werpt ons op onszelf terug.

Schuld en zonde zijn niet voor niets onderwerpen die in de moderne literatuur op vele manieren ter sprake worden gebracht. Zo wijdt de Franse filosoof Jean-Paul Sartre zijn toneelstuk ‘De vliegen’ aan de vrijheid aan de mens en aan de daarmee verbonden verantwoordelijkheid. Maar ook aan de schuldgevoelens, die het gevolg zijn van de keuzes die gemaakt worden. Met deze schuldgevoelens kan de hoofdpersoon niet leven. Hij probeert ze te verdringen. Maar schuldgevoelens zijn als vliegen, die niet te verdrijven zijn. Elke poging om ze weg te jagen, is een slag in de lucht. De vliegen keren terug.

Met schuldgevoelens kun je alleen in het reine komen, door ze onder ogen te zien. Niet door ze te verdringen. En zeker niet door het gebeurde goed te praten. Wie schuld erkent, zal zich ook de vraag stellen: Wie heb ik schade toegebracht? Wie is het slachtoffer geworden van het kwaad dat ik heb bedreven? Hoe kan ik het bedrevene weer goed maken?

Met schuld omgaan, is niet gemakkelijk voor een mens. Het is meer dan een vlek op het blazoen. Schuld stelt de eigen integriteit ter discussie. Van de weeromstuit gaat men kwaad van anderen met zware veroordelingen te lijf. Zoals David deed, toen de profeet Nathan hem het verhaal vertelde, van de rijke die het éne lammetje van de arme liet bereiden voor zijn gast. David verdrong hoe hij zijn eigen macht misbruikt had en de vrouw van Uria genomen had. Hoe hij vervolgens de sporen had proberen uit te wissen, door Uria in de strijd te laten sterven.

Ook onze Kerk heeft het er moeilijk mee om schuld onder ogen te zien die het gevolg is van de daden van haar leden en er de verantwoordelijkheid voor te nemen. Wij zijn in Nederland en in ons bisdom nog deze week er op een pijnlijke wijze mee geconfronteerd dat een bisschop, priesters en kloosterlingen hun macht misbruikten en afbreuk hebben gedaan aan hun kerkelijke zending. Ze hebben schande verwekt, door daden te verrichten die het daglicht niet kunnen verdragen: misbruik van kinderen en jongeren. Erger kan niet.

Tientallen jaren is het ontkend of toegedekt. Nu het in de ware omvang bekend geworden is, is de schaamte groot. Ouders hebben toen hun kinderen toevertrouwd aan mensen van de Kerk in de mening dat er geen veiligere plek was dan die. Kinderen vertrouwden zich toe aan mensen van de Kerk en zij werden misbruikt. Hun verhalen werden vaak niet geloofd.

Ook al gaat het hier ook om een maatschappelijk verschijnsel, voor kerkmensen mag dat juist géén excuus zijn. Ook al is het een halve eeuw geleden gebeurd, wij ervaren het als een erfschuld, die haast niet meer goed te maken is. Maar we moeten deze met ons meedragen. Ook de Kerk wilde niet herinnerd worden aan de vlekken op haar eigen blazoen en regelmatig verviel ook zij in de fout van David door als een strenge rechter met grote strengheid en zonder barmhartigheid de fouten van mensen aan te klagen. Waarom heeft de Kerk zo gereageerd? Is het schaamte? Is het angst voor prestigeverlies? Gezichtsverlies? Heeft men het eigen instituut meer willen beschermen dan de gekwetste slachtoffers?

et doet pijn met deze sinistere zwarte kanten van de Kerk te worden geconfronteerd. Wij willen erkennen dat kerkelijke overheid en kerkleden grote ergernis hebben verwekt en dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige zaken. In dat kader is misschien wel eens al te snel het woord ‘vergeving’ en het woord ‘verzoening’ in de mond genomen. Deze begrippen hebben sinds het bekend worden van de omvang van het misbruik als een rode lap op slachtoffers gewerkt. Het deed hen rood aanlopen, omdat het misplaatst gebruikt werd om aan erkenning van feiten te ontkomen en om zich niet te hoeven verantwoorden.

Dit misplaatste gebruik van het woord ‘vergeving’ had nooit mogen gebeuren, want vergeving is een bijzonder woord en het is een bijzonder gebeuren als vergeving en verzoening tussen mensen gestalte krijgt. Maar daarbij moet steeds voorop staan dat je op vergeving en verzoening geen recht kunt laten gelden. Vergeving en verzoening kun je alleen als een onverdiend geschenk ontvangen.

Het veronderstelt steeds een volkomen oprechte erkenning van de eigen schuld, zonder te vluchten voor de verantwoordelijkheid voor datgene wat in het leven van mensen werd aangericht. Daarbij moeten ook de familieleden en partners van de slachtoffers zeker niet vergeten worden. Vergeving is alleen dáár mogelijk, waar erkenning van schuld eraan voorafgegaan is. Erkenning van schuld tegenover het slachtoffer en voor ons als Kerk ook erkenning van schuld tegenover God. Dan krijgt vergeving een kans en is er weer toekomst. Men kan weer samen optrekken als tochtgenoten. Dan kan men elkaar weer terugvinden als mens en elkaar weer waarderen voor wat men aan elkaar kan schenken.

Moge eens het tijdstip komen, dat slachtoffers aan de Kerk en aan mensen van de Kerk weer kunnen vertrouwen kunnen schenken en hen datgene kunnen vergeven wat hun werd aangedaan. De Kerk heeft dat af te wachten en zal intussen blijvend moeten bewijzen dit waard te zijn. Intussen werken we samen heel hard aan een ‘weg naar verzoening’. Amen.

+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond

     
     
     
     
     
Susteren-Echt