Preek priesterwijding 2016

Preek van bisschop Frans Wiertz bij gelegenheid van de priesterwijding van Miguel Pacual Coello op zaterdag 21 mei 2016 in de Sint-Christoffelkathedraal te Roermond. 
 
Zaterdag in de zevende week door het jaar

1e lezing:        Jak. 5, 13 – 20
Evangelie:     Mc. 10, 13 – 16

  

Traditiegetrouw vindt in ons bisdom de priesterwijding plaats op de zaterdag na Pinksteren. Het is aan het einde van een liturgisch zeer rijke tijd: de Paastijd. Niet voor niets duurt het paasfeest geen zeven dagen, maar zeven keer zeven dagen. Op de vijftigste dag vieren we Pinksteren. Ook al is liturgisch nu ‘de tijd door het jaar’ begonnen, heel ons gelovige wezen voelt zich gedragen door wat we in die zegenrijke paastijd hebben gevierd.

Voor elke priester zijn de gebeurtenissen van Pasen een blijvende inspiratie. Ze helpen ons om de aandacht te verleggen van uiterlijkheden naar het wezen en de kern van het priesterschap. We mogen ons de mentaliteit van Jezus eigen maken en zo zijn zending in deze wereld voortzetten. Daarbij willen we dit jaar vooral voor ogen houden, hoe Jezus gezicht geeft aan Gods barmhartigheid. 

Graag wil ik met u stilstaan, bij wat ik de drie ‘witte figuren’ zou willen noemen, die in ieders priesterleven als ankerpunten dienen. We mogen geen van deze drie loslaten. Ze horen bij ons priesterzijn. Het zijn de eucharistie, uitgebeeld in de witte heilige hostie. Het ambt, vertegenwoordigd in de witte toog van de opvolger van Petrus. En natuurlijk Maria als de derde ‘witte figuur’, die voor elke priester een moeder en voorbeeld wil zijn.

De paastijd die we net hebben afgesloten, heeft zijn opmaat in de heilige drie dagen voor Pasen. Laten we even teruggaan naar het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen, waarin zij het joodse paasfeest vierden. Deze bijeenkomst is vervuld van een rijke  symboliek. 

De evangelist Johannes vertelt hoe Jezus,  voordat hij het brood breekt en de beker laat rondgaan, een teken stelt van zijn eenvoud en barmhartigheid. Johannes noemt dit een ‘bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe’. Jezus neemt een kom water en wast de voeten van zijn leerlingen. Dit teken van gastvrijheid is later door de apostelen achterwege gelaten. Maar Jezus voelde zich nergens te goed voor, ook al is hij God Zoon. Hij maakt zich klein en doet slavenwerk. Dit gebaar lijkt zo eenvoudig, maar het heeft een diepe betekenis. 

Als de minste onder de mensen wordt Jezus na het Laatste Avondmaal verraden, afgevoerd, bespot, verloochend, met doornen gekroond. En waar zijn Zijn vrienden? Wat bij de voetwassing enkel symbolisch gebeurde, krijgt nu een andere realiteit. Niet meer met water, maar met zijn eigen bloed wast Jezus aan het kruis ons schoon en verlost Hij ons van alle schuld. Het vuil van de mensengeschiedenis die voorbij is en het vuil van de eeuwen die komen gaan, heeft hij van ons af gewassen. 

Jezus heeft altijd de intentie gehad om ons te verlossen van het kwaad. Dat was al zo toen hij bij Zachaeus te gast wilde zijn. Daarom schoof Hij aan tafel bij de tollenaar Mattheus. Daarom ging Hij in gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de put. Voor hen wil Hij de geneesheer zijn. Doordat ze naar Jezus luisteren, gaan hen de ogen open voor zijn barmhartigheid en begrijpen ze dat ze zich het kwaad als een vanzelfsprekendheid hebben eigen gemaakt. Jezus doet hen verlangen naar vergeving en schenkt hen die ook.

De voetwassing illustreert de gezindheid waarmee Jezus daarna het brood neemt, breekt en uitdeelt met de woorden: “Neemt, eet, dit is mijn Lichaam voor u.” In het joodse verstaan, wordt met ‘lichaam’ de hele persoonlijkheid bedoeld, die door Jezus nader omschreven wordt als “voor u”. Jezus is er ‘voor ons’. Zo ís Hij. Hij ís in persoon ‘liefde tot het uiterste toe’. 

Ook neemt Jezus de beker en zegt: “Dit is mijn Bloed. Dit bezegelt het altijddurende Verbond. Mijn liefde is daarom eeuwig.” Gods liefde kent geen voorwaarden. Jezus heeft er zelf op gewezen dat Hij voor ons eten en drinken tot eeuwig leven wil zijn. 

Zo lezen we bij Johannes: “Ik ben het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” De Kerk beschouwt daarom de eucharistie als het grootste geschenk dat de Heer ons heeft nagelaten.

Zo blijft hij bij ons en in die witte gedaante mogen we Hem aanbidden, maar mogen we ons ook laten troosten, laten genezen van onze zondigheid en ons weer héél laten maken tot beeld van God in deze wereld. “Blijft dit doen om Mij te gedenken,” zei Jezus tegen zijn leerlingen.

Beste wijdeling en confraters in het priesterschap, laat er in je priesterleven geen dag zijn zonder eucharistie. Vier de eucharistie met dezelfde mentaliteit waarmee Jezus zich wegschonk. Laat de eucharistie van vandaag ons doen verlangen naar de eucharistie van morgen. 

“Blijft dit doen om Mij te gedenken.” Zo roept Jezus de hele Kerk op om dit teken van het Laatste Avondmaal telkens weer te herhalen en onszelf te verplaatsen naar dat laatste geladen samenzijn. Daarom wordt Witte Donderdag ook gevierd als de dag van de instelling van het priesterschap. Hier wordt uitdrukkelijk verwoord wat op elke bladzijde van het evangelie te lezen staat: “Volg mij na. Volg mij na in de opoffering.” Dat wil zeggen: Wees altijd een afgeleide van onze Heer Jezus, een alter Christus. 

Jezus heeft zijn apostelen geroepen. Hij riep hen om met Hem één van hart en één van geest te zijn. Hoeveel moeite het onderricht van de leerlingen Jezus heeft gekost, blijkt uit de hele opgang naar Jeruzalem. Petrus, die optreedt als woordvoerder van de apostelen en die zijn geloof heeft beleden in Christus als de Zoon van God, mag de uitverkiezing van Jezus vernemen: “Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.” Deze Petrus zweert wel vóór het lijden de Heer trouw te zullen zijn in alles
wat komen gaat. Maar hij is helaas toch degene die in de Hof van Olijven inslaapt, Jezus alleen laat en Hem enkele uren later verloochent.

Je zou denken dat deze Petrus het vertrouwen van Jezus verspeeld heeft. Het is logisch dat hij Jezus niet meer onder ogen durft te komen en daarom na Pasen teruggaat naar het Meer van Galilea. Maar daar wacht Jezus hem weer op. En met het wonder van de visvangst herbevestigt Jezus hem in zijn roeping om mensenvisser te zijn. Daarom stelt Hij Petrus ook drie keer de vraag: “Simon, zoon van Joannes, heb jij Mij lief?” Waarop Petrus antwoordt: “Ja, Heer, u weet dat ik u bemin.” Daarop zegt Jezus: “Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen.” Het is een herbevestiging van de trouw van Jezus aan Petrus. Jezus blijft op deze Petrus bouwen. 

Onder de apostelen neemt Petrus vanaf dat moment een belangrijke plaats in. Op de dag van Pinksteren spreekt hij zijn grote Pinksterpreek uit en neemt hij het voortouw bij alle belangrijke beslissingen. Vanaf Pinksteren willen wij ons geloof belijden samen met Petrus. Bij zijn graf in Rome spreken miljoenen christenen, ook dit jaar, hun geloofsbelijdenis uit.  Ze belijden hun geloof in de Drieëne God in eenheid met Petrus en zijn opvolgers. De bisschop van Rome als opvolger van Petrus is de tweede witte gedaante op wie ik wil wijzen.

De derde witte gedaante is Maria. Ze wordt vaak omschreven als de ‘dienstmaagd des Heren’. Zij schuift haar eigen levensplannen opzij om te doen wat God van haar vraagt. Durf als priester, zoals zij deed, je leven in Gods hand te leggen. Uit het evangelie blijkt dat Maria een sterke vrouw is. Zij dringt zich niet op in het leven van haar kind, maar blijft zoals iedere verstandige moeder haar kind wel nabij. Zo is ze er als het spannend wordt. Ze volgt haar zoon op Zijn kruisweg. Ze laat zich niet wegjagen onder het kruis. Zij blijft staan als Jezus bespot wordt. De dode Jezus wordt vervolgens op haar schoot terug gelegd. Zij lijdt mee, maar ze wanhoopt niet. En terwijl iedereen het laat afweten, vertegenwoordigt zij in haar persoon de Kerk. Ze laat zien wat de Kerk
dient te zijn. Zij illustreert de trouw aan de Heer.

Maria is eigenlijk de redder van de kerk. Toen en nu. Want rond haar hergroeperen de apostelen zich weer. En tijdens de Pinksternoveen zien ze samen met Maria uit naar de beloofde Heilige Geest. Op het Pinksterfeest wordt de kiem van de kerk niet alleen gelegd door Petrus, maar ook door Maria. Zij verdient het daarom dat wij haar bijzonder eren. Zij is representant van de Kerk: typus Ecclesiae. De Kerk wordt vaak als ‘Moeder’ omschreven. En in de theologie zijn de grenzen tussen Maria en de Kerk
vaak vloeiend. “Doet maar wat Jezus u zeggen zal,” is haar antwoord aan de bedienden op de bruiloft te Kana. Daarom mogen wij als Kerk ook zeggen: “Doe maar wat Maria u zeggen zal.”

Vandaag vertelt het evangelie ons hoe ouders hun kinderen naar Jezus brengen. Ze even door Hem laten aanraken, is voor die moeders al voldoende. Ook vandaag de dag vragen ouders om hun kinderen te zegenen. Ze willen het geluk voor hun kind en ze voelen aan hoe moeilijk het is om dat te bewerken. Daar is de hulp van God bij nodig.

Maar dan lezen we tot onze verbazing: “Bars wezen de leerlingen ze af.” Waarop Jezus verontwaardigd zegt: “Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen.” Jezus is te zeer een goede Herder voor wie elk schaapje telt. Geen mens mag dus verloren lopen. Hij wil hen voorgaan in het leven en hen naar de grazige weiden van zijn goddelijk Woord en Sacrament leiden, waar altijd bezieling en troost te vinden is. Hij wil hen het Brood van het eeuwige leven reiken: Zijn eigen Lichaam en Bloed.

Drie witte figuren zijn onze ankerpunten in het priesterschap: De eucharistie; ons priesterschap, dat we beleven in verbondenheid met de bisschop van Rome als opvolger van Petrus die ons voorgaat in het geloof; en tenslotte Maria, de sterke vrouw, typus Ecclesiae, die ons eveneens voorgaat in het geloof. Mogen deze ankerpunten jou, beste Miguel, en ons allen, houvast geven in ons priesterschap. Amen.  

     
     
     
     
     
Susteren-Echt