Woord van de administrator 2018 - 4

WIE IS DAT?

Toen Karol Wojtyła, de latere paus Johannes Paulus II, pas priester gewijd was, heeft hij enige jaren in Rome gestudeerd. Tijdens een van de lange zomervakanties heeft hij toen een vakantiereis door Frankrijk, België en Nederland gemaakt. Als jong priester interesseerde hij zich natuurlijk in de kerkelijke situatie in die drie landen. Vooral de situatie in Frankrijk had zijn belangstelling en hij schreef een uitgebreid reisverslag. Frankrijk was toen een land met een grote variëteit in kerkelijkheid. Na de Franse revolutie en de tijd van Napoleon was het kerkelijke leven volledig veranderd. De kerkelijke goederen en bezittingen waren geconfisqueerd. Aan de kerk was alle macht ontnomen. Er was een ander kerkbeleven dan in andere landen het geval was.

Op grond van zijn waarnemingen kon de jonge Karol Wojtyła Frankrijk in drie kerkelijke categorieën verdelen. Er waren de streken waar hij een vitale en zelfbewuste kerk aantrof, zoals in Normandië. Hij trof daar een hechte kerkgemeenschap aan met hoge deelname aan het kerkelijke leven. Het geloof in God was er onaangevochten en het werd er intens beleefd. Vooral de geloofsoverdracht van ouder naar kind ging in grote vanzelfsprekendheid en er werd veel aandacht besteed aan catechese.

Als tweede categorie omschreef hij die streken waar een katholieke cultuur heerste, maar de kerkelijkheid tanende was. De katholieke gebruiken rond hoogfeesten waren intact gebleven. De verenigingen werden nog steeds naar heiligen genoemd. De meeste sacramenten werden er nog ontvangen, maar het geloof werd niet meer vanuit een diepe overtuiging beleefd. De façade was dan wel blijven staan, maar achter die voorgevel van gebruiken en culturele uitingsvormen, had de tand des tijds aantoonbaar zijn werk gedaan. Geloofskennis en geloofsbeleving waren veruiterlijkt en de betekenis van christelijke woorden als genade of sacrament moesten worden opgezocht in het vreemde-woordenboek.

Ook maakte Karol Wojtyła met de derde categorie kennis. Het waren de gebieden met talloos vele kerken en kerkjes, maar leeg en gehavend door de tijd. Er waren restanten te bezoeken van het eens zo imposante klooster Cluny. Maar de kerkelijkheid was er heel beperkt. Daar kon het gebeuren dat een kind, wijzende naar een kruisbeeld, de vraag stelde: “Wat is dat? Wat stelt dat voor?” Zelfs wat men als algemene ontwikkeling zou mogen veronderstellen, bleek niet meer bekend te zijn.

De situatieschets van de latere paus herkennen we. De oudere generatie hier heeft de tijd nog beleefd van de zelfbewuste kerk. Volle kerken op zondag, processies, uitstelling en aanbidding, catechismus leren hoorden bij dat patroon. Verder was er een katholiek verenigingsleven. We waren in alles katholiek. Vanaf medio jaren zestig van de vorige eeuw is ons kerkelijk leven in de tweede categorie terecht gekomen. De katholieke cultuur veranderde in een seculiere cultuur. God schuift naar de achtergrond. De gebruiken en tradities blijven wel nog in zwang, maar ze gaan lijken op opgezette vogeltjes. Ze zijn dood. De vanzelfsprekendheid van geloofsoverdracht, geloofskennis en geloofsbeleving is beperkt. De façade staat nog overeind maar toont ook tekenen van verval. 

Inmiddels zijn we dus terecht gekomen in een situatie die trekken heeft van de derde categorie. Het is me al overkomen dat een schoolkind naar het kruisbeeld wees met de vraag: “Wat is dat? Wat stelt dat voor?” Binnen mijn eigen leven, binnen één enkele generatie heeft de kerk de drie geschetste stadia doorlopen.

Toch is de Pool Karol Wojtyła niet neerslachtig door die derde situatieschets van de Kerk in Frankrijk.  Integendeel. Hij is erdoor geboeid. Hij ziet ook hoe de oude volkskerk dan wel afgestorven lijkt, maar hij kan ook wijzen naar nieuw leven. Er ontstaat een kerkelijkheid die anders is. Niet de van-huis-uit-kerkelijkheid, maar de kerkelijkheid van de bewuste geloofskeuze. Frankrijk is het land van de nieuwe geloofsbewegingen van mensen die iets voor hun geloof over hebben. Ze dragen hun geloof uit en worden niet gehinderd door schroom. Nieuwe initiatieven komen van de grond. Er wordt gezocht naar het wezen van het geloof. Er ontspruit als het ware nieuw leven aan het evangelie, aan de sacramenten. Deze Franse Kerk kent dan wel niet meer de massaliteit van vroeger en heeft ook niet meer dat volkse karakter, maar deze kleinere kerk spreekt Karol Wojtyła aan vanwege haar nieuw élan. Inspirerende mensen voelen zich niet meer gehinderd door de ballast van het verleden en weten de aandacht te vestigen op Jezus Christus als Heiland en Verlosser. Ze weten ook uit te stralen dat geloof altijd tot naastenliefde en caritas aanzet. Zo ontstaat een andersoortige Kerk met een hechte band met Onze Heer Jezus Christus. Een Kerk met overtuiging. Een Kerk met een missionair karakter en sterk diaconaal program. Een Kerk met spiritualiteit, met gebedsleven en élan. 

Ons bezinnend op de toekomst van de Kerk in Nederland, moeten we onder ogen zien, dat we Jezus Christus niet dienen door enkel de oude tradities te restaureren. Tradities moeten uitdrukking van oprecht christelijk leven zijn. Het geloof zal vanzelf herleven, als we ons weer toeleggen op een oprechte geloofsbeleving, op geloofskennis, op bijbelkennis, op aandacht voor de naaste. We kunnen alleen het geloof doorgeven, als we ook zelf echt gelovig zijn in woord en daad. 

Mgr. Hub Schnackers,
diocesaan administrator

     
     
     
     
     
Susteren-Echt