1e lezing: Jes.56,1.6-7
Tussenzang: ps.67,2-3.5.6.8
2e lezing: Rom.11,13-15.29-32
Evangelie: Mt.15,21-28
Geloof wordt ons geschonken
Het huidige Israël is een smeltkroes van allerlei godsdiensten en culturen. Die botsen daar zelfs letterlijk op elkaar, zodat het min of meer een voortdurende brandhaard is en blijft: het ene conflict is nog niet beëindigd of het volgende dient zich alweer aan. Zo is het nu. Maar zo was het ook: ook in het verleden was er in dat deel van de wereld zeker geen sprake van een homogene samenleving.
Tussen de regels door lees je daarover in het evangelie. De inwoners van Jeruzalem en omgeving (Judea) beschouwden zich als de ware Joden, die niet alleen neerkeken op die uit het noorden: die uit het ‘Galilea van de heidenen’. Maar ook met de Samaritanen leefden ze in onmin, omdat die hun eigen heiligdom op de Gerizim hadden. Om nog maar te zwijgen van het echte heidense gebied rond de Fenicische (thans tot Libanon behorende) havensteden Tyrus en Sidon, het gebied waar de gebeurtenis zich afspeelt die we zojuist in het evangelie mochten beluisteren.
Geen wonder dat Jezus de Kananeese vrouw die Hem aanklampt in eerste instantie geen aandacht schenkt. Het is pas als de leerlingen zich bij Jezus beklagen dat ze hen met haar voortdurend geroep lastig blijft vallen en Hij opmerkt dat Hij alleen maar tot de verloren schapen van het huis Israël is gezonden, dat er iets boven komt drijven wat op ‘geloof’ begint te lijken.
Eerst lijkt het nog om een gewone hulpvraag: “Heer, heb medelijden met mij; Heer, help mij.” Alsof ze gewoon verlost wil worden van de overlast die haar van een duivel bezeten dochter haar bezorgt. Zoals de leerlingen verlost willen worden van de overlast die de vrouw hen met haar geroep bezorgt.
De positieve wending van het verhaal zet in als de vrouw reageert op Jezus’ opmerking: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.” “Toch wel, Heer”, aldus de vrouw, “want de honden eten toch ook de kruimels die van de tafel van hun meester vallen.” Om daarmee aan te geven dat ze als Kananeese, als Syrofenicische, als heidense, haar plaats weet; dat zij als zodanig geen aanspraak kan en mag maken op Jezus’ aandacht, laat staan op zijn medelijden en hulp. Maar ook en vooral dat zij in Jezus haar meerdere, ja zelfs haar heer en meester erkent.
Dat is voor Jezus blijkbaar belangrijker dan haar afkomst. Dat laat Jezus ook elders meer dan eens blijken: dat Hij de Joden verwijt dat ze als ‘kinderen van Abraham’ recht op Gods liefde en barmhartigheid denken te hebben. Dat is niet iets waar wij recht op hebben, iets wat wij zouden kunnen verdienen. Het is iets wat geschonken wordt aan hen die oprecht zijn en zich nederig van hart tonen.
Dat is ook wat God van ons vraagt: niets meer (maar ook niets minder) dan ‘geloof’, het geloof namelijk dat God in ons leven groot doet zijn, het geloof dat ons ontvankelijk maakt voor Gods grote daden. Het geloof waarin de Kananeese vrouw ons vandaag voorgaat, het geloof dat Maria ook in haar lofzang (‘Magnificat’) bezingt, het geloof dat het mogelijk maakt dat God op de kleinheid (‘bescheidenheid’) van ons mensen kan neerzien en aan ook ons zijn wonderwerken kan doen (Luc.1,46-55).
Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie