1e lezing: Jes.5,1-7
Tussenzang: ps.80,9.12-16.19-20
2e lezing: Fil.4,6-9
Evangelie: Mt.21,33-43
Vruchten van de wijngaard
De parabel van de misdadige wijnbouwers die Jezus vertelt, is duidelijk geïnspireerd op het lied van de profeet Jesaja; ‘het lied over zijn vriend en zijn wijngaard’ dat wij in de eerste lezing van zojuist mochten beluisteren. Met die vriend bedoelt Jesaja de Heer der hemelse machten, die het huis Israël tot een mooie wijngaard maakte, met “de mannen van Israël” als bevoorrechte planten.
Hij hoopte natuurlijk op een rijke opbrengst aan druiven. In plaats van druiven leverede de wijngaard echter alleen maar wilde vruchten op: “Hij hoopte op recht: en zie het was onrecht; betrachten van recht: het was verkrachten van recht.” Het volk dat God zich had uitverkoren, toonde zich die uitverkiezing allesbehalve waard. En Jesaja kondigt aan dat de Heer der hemelse machten zijn wijngaard zal verwoesten: “Ik haal zijn omheining weg, dat hij kaalgevreten kan worden; ik maak zijn muren stuk, dat hij platgetrapt kan worden; ik maak van hem een verwilderd stuk grond”.
Dat zou ook daadwerkelijk gebeuren, toen Jeruzalem in 586 vóór Christus werd ingenomen en verwoest werd. Jesaja zag het – lang voordat het zover was – al voor zich, als straf voor hoe het volk Israël zich haar uitverkiezing onwaardig toonde door onrecht te doen, door het recht te verkrachten: de ‘wilde vruchten’ die de wijngaard blijkbaar in plaats van goede vruchten opleverde.
De wijngaard waarover Jezus vertelt, levert in ieder geval vruchten op. Het probleem is echter dat ze niet worden afgedragen. Toen de eigenaar zijn dienaars naar de wijnbouwers zond om de opbrengst in ontvangst te nemen, mishandelden ze de een, doodden ze de ander en stenigden ze een derde. Zelfs de zoon van de eigenaar werd de wijngaard uitgegooid en gedood (een duidelijke verwijzing trouwens naar het lot dat Jezus zelf wachtte).
In zijn toorn daarover verwoest de eigenaar zijn wijngaard evenwel niet; de misdadige wijnbouwers zullen weliswaar een ellendige dood sterven, maar de wijngaard zelf zal aan anderen verpacht worden die hem de opbrengst wel op de vastgestelde tijd afdragen. Dat is het hoopvolle van Jezus’ boodschap: het Rijk Gods dat eerst aan het Joodse volk was beloofd, zal gegeven worden aan “een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.”
Tot dat volk mogen wij ons rekenen, wij die door doopsel, communie en vormsel in het nieuwe volk van God – de Kerk – zijn opgenomen. Dat is niets iets dat je verdient, maar iets dat ons gegund en gegeven wordt. Het vraagt ook wat van onze kant: dat wij de vruchten daarvan opbrengen: vruchten van geloof, hoop en liefde.
Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie