Zondag 16 februari 2025 – 6e zondag door het jaar

Geplaatst op: 11-02-2025
Alt Text

1e lezing: Jer.17,5-8
2e lezing: 1 Kor.15,12.16-20  
Evangelie: Lc.6,17.20-26  

 

Hoop doet leven

“Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt”, dat is toch even schrikken, die uitspraak van de profeet Jeremia die wij deze zondag in de eerste lezing mogen beluisteren. Het is juist een groot voorrecht als je op mensen kunt en mag vertrouwen, als je op mensen aankunt. Maar dat is juist het probleem, het probleem van onze tijd: dat dat steeds minder het geval lijkt. Waar is het nog: “een man een man, een woord en woord”?

Die uitdrukking schijnt nog te dateren uit de tijd dat afspraken nog niet op papier vastgelegd werden. Dat kunnen wij ons tegenwoordig niet eens meer voorstellen. Alles staat of valt met (schriftelijke) contracten. Niet alleen wat is afgesproken wordt schriftelijk vastgelegd, maar ook de eventualiteiten die eruit zouden kunnen voortvloeien en die men graag (ook in de toekomst) wil uitsluiten. Dat is toch de betekenis van garantiebewijzen en bijsluiters; dat men niet verantwoordelijk wil zijn voor de gevolgen van verkeerd gebruik als men zich niet aan de gemaakte afspraken houdt.

Tegenwoordig is ons samenleven zo dichtgetimmerd dat er weinig of geen speelruimte meer overblijft. Voor zaken als krediet en vertrouwen lijkt er tegenwoordig steeds minder plaats. Zoiets moet je blijkbaar eerst verdienen. Betrouwbaarheid is immers geen vanzelfsprekendheid meer. Het probleem van de onbetrouwbare overheid speelt niet alleen in de politiek, ook wij als Kerk hebben er steeds meer last van: dat Gods ‘grondpersoneel’ het inmiddels zo ‘bont’ heeft gemaakt, dat zelfs de betrouwbaarheid van de Kerk als geheel op het spel is komen te staan.

Wie kun je tegenwoordig nog vertrouwen? Kun je er nog op vertrouwen dat als je je kind laat dopen het daarmee ook daadwerkelijk kind van God en lidmaat van de Kerk wordt, als je toch ziet hoe gemakkelijk mensen zich tegenwoordig laten uitschrijven? Wie zegt ons dat brood en wijn in de Mis werkelijk in het Lichaam en Bloed des Heren veranderen, als je toch ziet hoe oneerbiedig mensen tegenwoordig met de Communie omgaan? Wie is er nog van overtuigd dat onze zonden in de Biecht zullen worden vergeven, als je toch ziet hoe lang vorige generaties nog fouten uit het verleden worden nagedragen?

Kunnen en mogen wij God nog wel op zijn woord geloven? En zo ja, wat heeft dat dan voor consequenties voor ons leven hier en nu? Als wij – om het met de woorden uit de tweede lezing van vandaag te zeggen – werkelijk geloven dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe kunnen dan sommigen onder ons beweren dat dat er geen opstanding uit de doden bestaat? Als je toch ziet hoe gemakkelijk mensen tegenwoordig kiezen voor een doe-het-zelf-uitvaart, uitvaarten waar nog geen gebed meer aan te pas komt?

Geloof daagt ons uit verder te kijken dan onze neus lang is, niet alleen voor dit (aardse) leven onze hoop op Christus te vestigen, maar uit te blijven zien naar de zalige vervulling van onze hoop. Want het is de hoop die werkelijk leven doet, niet alleen straks maar ook hier en nu al. Het maakt ons “tot een boom die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water. Hij heeft geen last van de hitte, zijn blad blijft groen. Komt er een tijd van droogte, het deert hem niet; altijd blijft hij vrucht dragen.”

Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie